Se ha denunciado esta presentación.
Utilizamos tu perfil de LinkedIn y tus datos de actividad para personalizar los anuncios y mostrarte publicidad más relevante. Puedes cambiar tus preferencias de publicidad en cualquier momento.

Grammarunit5

Grammar Unit 5

  • Sé el primero en comentar

  • Sé el primero en recomendar esto

Grammarunit5

  1. 1. moeten
  2. 2. have to moeten I have to do it myself. (moet …) I had to get up during the night. (moest …) You’ll have to tell them. (zal moeten …) don’t have to niet hoeven You don’t have to work. (hoeft niet …) Mom didn’t have to take an aspirin. (hoefde niet …) They won’t have to help. (zullen niet hoeven)
  3. 3. some and any
  4. 4. Betekenis: enige / enkele / een paar Gebruik: Some: - bevestigende zinnen - vraagzinnen  antwoord: ja Any: - ontkennende (not) zinnen - vraagzinnen  antwoord: ?
  5. 5. Samenstellingen: somebody/anybody someone/anyone something/anything  ding somewhere/anywhere  plaats persoon
  6. 6. what or which
  7. 7. Gebruik: Which: beperkte keuze Which bike is yours, the blue or the red one? What: Onbeperkte keuze What music do you like?
  8. 8. Vergelijken
  9. 9. Bij woorden met maar één lettergreep: small (1) + …er than smaller than (2) + the …est the smallest (3 of meer)
  10. 10. Bij woorden met 3 of meer lettergrepen: beautiful (1) + more … than more beautiful than (2) + the most … the most beautiful (3 of meer)
  11. 11. Bij woorden met 2 lettergrepen: Bij woorden met 2 lettergrepen gaat het om de uitgang: Vorm 1 krijg je bij: leerowysome-woorden Vorm 2 krijg je bij de rest
  12. 12. leerowysome woorden zijn woorden die eindigen op: -le simple -er clever -ow narrow -y happy -some handsome
  13. 13. Past perfect
  14. 14. Gebruik: iets gebeurde in het verleden voordat er iets anders gebeurde. Je kunt de past perfect alleen gebruiken als er ook een past simple in de zin staat. Vorm: had + voltooid deelwoord The pupil said he had done his homework.
  15. 15. myself, yourself, etc.
  16. 16. Gebruik: om iets met nadruk te zeggen. I did it myself. We did it ourselves. You did it yourself. You did it yourselves. He did it himself. They did it themselves. She did it herself.
  17. 17. kunnen
  18. 18.  I am not able to explain the mystery. (T.T.) ( … kan .. niet verklaren.) He was not able to find the plane. (V.T.) (… kon niet vinden.) It is unlikely that rescuers will be able to find the black box. (Toekomst) (… zullen kunnen vinden.)
  19. 19. myself, yourself, etc.
  20. 20. Gebruik: om iets met nadruk te zeggen. I did it myself. We did it ourselves. You did it yourself. You did it yourselves. He did it himself. They did it themselves. She did it herself.
  21. 21. Bijvoeglijk naamwoord vs. bijwoord
  22. 22. Bijvoeglijk naamwoord Gebruik: een bijvoeglijk naamwoord zegt iets over een zelfstandig naamwoord. Het geeft antwoord op de vraag ‘Wat voor …?’ It really is a sad situation. Bijwoord Gebruik: een bijwoord geeft antwoord op de vraag ‘Hoe …?’ She is always beautifully dressed. Vorm: bijwoord = bijvoeglijk naamwoord + ly
  23. 23. Uitzonderingen: Bijvoeglijk naamwoord Bijwoord good well fast fast hard hard late late
  24. 24. Bijwoorden
  25. 25. Bijwoorden zijn woorden als: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc.
  26. 26. Bijwoorden zijn woorden als: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd
  27. 27. Bijwoorden zijn woorden als: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord.
  28. 28. Bijwoorden zijn woorden als: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord. twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de werkwoorden in.
  29. 29. Bijwoorden zijn woorden als: just (alleen maar), always (altijd), nearly (bijna), still (nog steeds), often (vaak), never (nooit), etc. Bijwoorden geven aan ‘hoe …’ iets gebeurd Plaats van het bijwoord in de zin: één werkwoord in de zin?  Het bijwoord komt voor het werkwoord. twee werkwoorden in de zin?  Het bijwoord komt tussen de werkwoorden in. is het werkwoord een vorm van ‘to be’?  Het bijwoord komt achter het werkwoord.
  30. 30. Plaats voor tijd
  31. 31. Waar (plaats) iets gebeurt komt altijd voor wanneer (tijd) iets gebeurt. He had been drinking in a bar the night before. The planes disappeared in the Bermuda Triangle in 1945.

×